Biografie

Dom Hans Van der Laan, leven en werk

Deze biografie is geschreven door Broeder Lambertus Moonen OSB in 2001

en bewerkt door Hans Van der Laan jr. in 2018.

 Jeugd en opleiding

Hans van der Laan werd geboren te Leiden op 29 december 1904 als negende kind van de architect Leonard van der Laan (18641942) en Anna Stadhouder (1871-1941). Zijn grootvader van vaderskant (1817-1901) was tuinman aan het hof te Den Haag, die van moederskant kleermaker te Leiden. Zijn vader vestigde zich in 1891 als architect te Leiden. Hij huwde in 1893 en stichtte een gezin van elf kinderen, zes jongens en vijf meisjes. Van de jongens werden Jan, de oudste (1896-1966), Hans, en Nico, de jongste (1908-1986) ook architect na een studie aan de Technische Hogeschool te Delft. Hans begon zijn studie in 1923, twee jaar nadat hij de H.B.S. had beëindigd. Het eerste jaar (1921) had hij doorgebracht in een sanatorium, het tweede (1922) was hij werkzaam op het bureau van zijn vader, die zich in 1921 met zijn oudste broer Jan had geassocieerd. In die twee jaar had hij veel tijd gehad om zijn groeiende interesse voor architectuur te voeden met lezen. Door het boek van H.P. Berlage (1856-1934) ‘Schoonheid in samenleving’ was voor hem een wereld opengegaan die helaas in Delft afwezig bleek. Het architectuuronderwijs beperkte zich tot het neoclassicisme van de negentiende eeuw en de docenten waren allen nog van voor de eerste wereldoorlog. Henri Evers, de architect van het Rotterdamse raadhuis gaf de toon aan in het onderwijs. Echter, in 1924 werd M. Granpré Molière (1883-1972) tot hoogleraar benoemd voor de eerste- en tweedejaars studenten. In hem vond Hans een echte leermeester. Dit duurde niet lang want in het najaar van 1925 kreeg hij onderwijs van professor Van der Steur met wie hij aanstonds in conflict raakte. In het derde studiejaar werden eigen ontwerpen gemaakt, maar die van Hans van der Laan werden steeds afgekeurd. Een groep studenten van zijn studiejaar vormde in dat najaar een studiegroep, de bouwkundige studiekring (BSK) om met elkaar de eigen grondslagen van de architectuur te onderzoeken, die zij misten in het onderwijs. Een jaar lang had Hans de leiding van die groep die regelmatig bij professor Granpré Molière aan huis kwam. De publicaties van Le Corbusier en van de Stijlgroep kwamen daar ter sprake en ook het pas verschenen boek van Jacques Maritain ‘Art et scholastique’. De laatste voordracht die Hans in de BSK gaf, ging over de Domtoren in Utrecht en was een serieuze poging om volledig door te dringen in het hoe en waarom van de maatbepalingen van dat bouwwerk. 

 Monnik van de Sint-Paulusabdij 

 In de zomer van 1926 zei Hans van der Laan de studie bouwkunde in Delft vaarwel om zich te gaan voorbereiden op een leven als benedictijner monnik in de SintPaulusabdij te Oosterhout, een vestiging in 1901 door de abdij van Wisques in Noord-Frankrijk, en daarmee onderdeel van de belangrijke negentiende-eeuwse hervormingsbeweging van Dom Prosper Guéranger (1805-1875), stichter van de abdij van Solesmes in 1837. Er waren in het klooster in Oosterhout toendertijd, behalve een aantal Nederlandse, voornamelijk Franse monniken gehuisvest onder de abt Dom Jean de Puniet en de voertaal in het klooster was Frans. Hans trad op 12 september 1927 in en werd op 12 oktober ingekleed. Een van zijn eerste opdrachten onder novicemeester Pierre de Puniet was om een kaart van Rome te maken, die in 1930 werd gebruikt bij de publicatie van zijn confrater A. Beekman ‘De oudchristelijke basiliek’. Van groot belang voor hem werd de kennismaking in de abdij met de architect Paul Bellot, monnik van de abdij van Solesmes, die zowel het klooster in Oosterhout als o.a. dat van Quarr op het eiland Wight ten zuiden van Engeland had ontworpen en die in katholieke kring een aanzienlijke reputatie had gevestigd 

Zijn vakuitoefening berustte op de toepassing van de gulden snede en hij had een driehoek laten maken volgens deze verhouding. Hij maakte bij al zijn ontwerpen gebruik van die driehoek in plaats van de gewone driehoeken van 60 en 45 graden. Vooral zijn geveltekeningen bestonden uit spitsvondige schema’s gebaseerd op die gulden snede-verhouding. Echter frater Hans was niet onder de indruk van deze methodiek voor de architectuur en het leek hem een willekeurig mathematisch maatsysteem, zoals er zovele mogelijk zijn. Vooral de eigenschap van de gulden snede, dat bij de verdeling van een lijn in twee opeenvolgende delen en vervolgens bij dezelfde verdeling van het grootste deel ervan een gelijkheid van twee van de drie delen ontstaat in plaats van een regelmatige opeenvolging in dezelfde 

verhouding, was als discontinuïteit een onoverkomelijke hinderpaal voor hem. Hoe het dan wel precies in elkaar stak was hem echter toen nog niet duidelijk. Eind 1928 keerde Dom Bellot terug naar Frankrijk. Anderhalf jaar had pater Hans hem in Oosterhout meegemaakt. Maar zijn invloed bleef belangrijk. Toen pater Hans in de periode daarna belast werd met het paramenten-atelier en met enkele noodzakelijke verbouwingen van het klooster werd hem te kennen gegeven toch vooral aansluiting te zoeken bij de bestaande ontwerpuitgangspunten van Dom Bellot, omdat zowel het liturgische kader als de bouwstijl van het klooster door de monnikengemeenschap zeer gewaardeerd werden. 

Koster en ontwerper 

Op 26 mei 1929 legden Hans van der Laan en zijn mede-novice Herman Diepen hun professie af in de Sint-Paulusabdij. In 1930 werden de fraters Van der Laan en Boer te werk gesteld op het paramentenatelier dat boven de sacristie gevestigd was en in 1931 werd frater Hans in de abdij als tweede koster aangesteld onder pater Pieter van der Meer de Walcheren. Op 2 september 1934 ontving hij de priesterwijding, samen met zijn confraters Bertrand de Poulpiquet du Halgoët en Nico Boer. In 1936 kreeg pater Hans de leiding in de sacristie, die hij zou behouden tot aan zijn vertrek naar Vaals in 1968. Het meeste van zijn tijd besteedde hij aan de vernieuwing van de inventaris van de kerk en de sacristie van de Sint-Paulusabdij, al bleef het daar niet bij, zoals uit enkele kleinere bouwopdrachten uit die periode blijkt. Het begin van die werkzaamheden beschrijft pater Hans als volgt.

‘Toen ik in het noviciaat het ontwerp moest maken voor nieuwe koorbanken in de abdijkerk, nam ik mijn toevlucht tot de toren van Utrecht die ik als laatste verworvenheid uit de wereld had meegebracht. Na een jaar stonden zij in de kerk en ook de zetel van vader abt, alles volgens dezelfde telkundige verhoudingen, maar het effect was erg schraal. Het laatste tekende ik de bidstoel van de abt, maar toen was er intussen iets gebeurd. De pastoor van een dorpje in de buurt (Baarle-Nassau) was bezig op de fundamenten van een afgebroken gotisch kerkje, althans op die van het koor, een devotiekapel op te bouwen. Een aannemer en enkele metselaars besteedden daar hun vrije tijd aan. Ze waren ongeveer anderhalve meter hoog, toen ze geen raad wisten met de voorgevel, vooral omdat de pastoor er een klokkentorentje bovenop wilde hebben. De pastoor kwam pater Bellot raadplegen, die toen echter al voorgoed naar Frankrijk was vertrokken; vandaar stuurde vader abt mij naar de spreekkamer, want ik zou het ook moeten weten. Dit was dus mijn eerste echte bouwkundige opdracht en het was niet zonder passie dat ik er mij op wierp. De novicemeester stond mij echter maar een half uur per dag toe om eraan te werken, tussen de ochtendconferentie en het middagmaal. Gedurende twee of drie weken waren dat ogenblikken van intense inspanning. Met de toren van Utrecht voor ogen en de gulden snede van pater Bellot in mijn achterhoofd, zocht ik naar het vaste uitgangspunt voor het ontwerp. Het probleem spitste zich toe op het conflict tussen het vlakke van het geveltje en het volumineuze van het torentje, waarvan de derde dimensie, ik weet niet meer hoe, mij op het spoor bracht hoe de gulden snede te corrigeren. Ik herinner mij alleen het moment bij het gaan naar de refter, op enkele meters voor de deur, dat ik een helder inzicht kreeg in wat later de grondverhouding zou heten, en daarna onder het eten de berekening van de maten van het stelsel dat eruit voortvloeide. Ze lagen vlak tegen de telkundige verhoudingen van de Utrechtse toren aan. Nooit zal ik de ervaring vergeten de vaste grondslag te hebben gevonden waar ik mijn hele Delftse tijd naar had gezocht. Zij sloot die periode voorgoed af en zelfs de gehele periode van mijn jeugd. Eenzelfde moment beleefde ik, toen in februari 1976 het laatste punt van les XIV van ‘De architectonische ruimte’ werd geformuleerd, waardoor de gehele theorie onder woorden was gebracht. Na 1929 volgde een periode waarin ik alles opmat wat mij onder ogen kwam, om die grondverhouding te verifiëren en geheel onder de knie te krijgen. Het eerste wat ik echter tekende was een bidstoel vóór de zetel van vader abt in het koor en de indruk was niet schraal meer.’

In 1930 kreeg hij de opdracht om de kapittelzaal in Oosterhout te vergroten. Die hield de restrictie in dat hij bij het ontwerp in grote lijnen de stijl van pater Bellot moest volgen, en daar hield hij zich ook aan. Als kloosterling bleef pater Hans al die tijd contact houden met enkele studievrienden uit Delft. Het meeste contact had hij evenwel met zijn jongere broer Nico die ook bouwkunde was gaan studeren in Delft. Beide broers verdiepten zich op dezelfde wijze in de grondslagen van de architectuur en zij probeerden in de jaren dertig te komen tot een aantal uitgangspunten die ze na het afstuderen van Nico in 1937 behoedzaam uitprobeerden bij de bouw van een nieuw gastenverblijf voor de Sint-Paulusabdij. 

Voor het eerst werd van de bestaande stijl afgeweken. Het plan ondervond aanvankelijk nogal wat weerstand bij abt en monniken, maar door toedoen van professor Granpré Molière, die bevriend was geraakt met de abt, is het gebouw toch tot stand gekomen en na afloop was abt Jean de Puniet zo tevreden dat hij pater Hans het bouwen van de definitieve abdijkerk in het vooruitzicht stelde. Tevens bood hij hem de gelegenheid om met een groep bevriende architecten en studiegenoten, waaronder Sam van Embden zijn nieuwe architectonische verworvenheden nader uit te werken. Dit heeft geleid tot de zes of zeven bijeenkomsten in Leiden en Delft gedurende de oorlog, waar de eerste aanzetten gegeven werden voor de complete systematiek van het plastische getal. De jaren 1941 en 1942 beschouwde pater Hans als een breuk in zijn leven. In die periode waren alle personen overleden met wie hij in een intieme verhouding had gestaan, zijn moeder, zijn vader, zijn zus Jo met wie hij een speciale band had, maar ook zijn leermeesters in het klooster, vader abt Jean de Puniet en diens broer Pierre, zijn gewezen novicemeester. 

De eerste jaren na de oorlog

Na de oorlog werd pater van der Laan door de bisschop van Breda uitgenodigd om de leiding te nemen van een werkgroep die belast werd met de wederopbouw van de verwoeste kerken in het bisdom. Vanaf april 1946 tot maart 1947 werden een twintigtal bijeenkomsten gehouden in het Begijnhof van Breda. Deze hielden zowel de bespreking in van de diverse bouwplannen als ook allerlei verhandelingen over theoretische standpunten. Door de aartsbisschop van Utrecht werd bovendien zijn broer Nico in diezelfde periode belast met de leiding van een cursus voor kerkelijke architectuur in ’s-Hertogenbosch, die werd gevestigd in het Kruithuis aldaar. Naast de gezamenlijke ontwikkeling van de architectonische inzichten met studenten in kleine groepen, organiseerde Nico ook de zogenaamde algemene lesdagen, waar alle facetten die met de kerkenbouw en de liturgie in verband staan, door deskundigen werden belicht, zoals liturgische zang, gebaar en kleding, iconografie, beeldhouwkunst, enzovoort. De inleiding die pater Hans daar zelf gaf over liturgische kleding werd in 1948 aanleiding voor een Franstalige publicatie in ‘L ‘artisan liturgique’ onder redactie van de monniken van de Sint-Andriesabdij te Brugge. Het was het begin van een serie van 13 artikelen (1948-1960), voorzien van de nodige tekeningen om de vervaardiging van de kleding tot in detail te begeleiden. Het atelier voor kerkelijke kunst van de Sint-Paulusabdij was toonaangevend geworden en haar invloed bleef niet tot Nederland beperkt, maar raakte mede dankzij Dom Xavier Botte van de Brugse abdij internationaal bekend, tot in Italië. Zo droeg kardinaal Lercaro, aartsbisschop van Bologna, mijters naar Oosterhouts model, vervaardigd te Assisi. In 1948 ontwierpen de broers Hans en Nico de Sint-Jozefkapel aan de rand van Helmond. Deze kapel gaf als eerste blijk van de door de Cursus Kerkelijke Architectuur (CKA) ingeslagen weg, namelijk de verwerking van het plastische getal in de stijlkenmerken van de architectuur van de eerste eeuwen van het Christendom, geheel in lijn met de hervormingsbeweging van Solesmes, zoals het boek ‘Le nombre musical grégorien’ van Dom André Mocquereau (1849-1930) had laten zien voor de herintroductie van het Gregoriaans als kerkelijk gezang. De maquette van de Sint-Jozefkapel was een van de eerste verworvenheden van de cursus en de bijbehorende maatanalyse met het plastische getal vormde in die eerste naoorlogse jaren belangrijk studiemateriaal voor de talrijke cursisten In het jaar 1949 gaf Dom Maximiliaan Mähler, de nieuwe abt van de SintPaulusabdij aan pater van der Laan de opdracht om samen met zijn broer die zijn architectenbureau inmiddels in ’s-Hertogenbosch had gevestigd, het ontwerp te maken voor de noodzakelijke uitbreiding van de abdij, hetgeen tevens de bouw van een nieuwe kerk inhield. Het eerste schetsontwerp riep echter al direct grote weerstand op in de monnikengemeenschap. Dom Mähler gaf de volgende uitleg:

 

Het ingediende plan door pater van der Laan voor de nieuwe kerk zou moeten aansluiten bij het bestaande sanctuarium naar het ontwerp van Dom Bellot. Naar het oordeel van velen bleek het contrast tussen de twee bouwstijlen geen bevredigende oplossing te zullen geven. Na rijp beraad moest wel worden besloten om naar andere mogelijkheden uit te zien.

 

Het bleek tenslotte onmogelijk om de ontstane tegenstellingen over het plan van pater van der Laan te verzoenen en men besloot, om er geheel van af te zien. Uiteindelijk werd in 1956 een nieuwe kerk gebouwd naar ontwerp van architect J.H. Sluymer (1894-1979) uit Enschede met medewerking van pater J. Rahder. Mede ten gevolge van de ontstane discussie werd deze kerk gesitueerd los van het oude abdijgebouw. Inmiddels waren de 15 lessen over de ‘architectonische ordonnantie’ in ’s-Hertogenbosch (1953-1956) afgesloten en in 1960 in het Frans gepubliceerd door uitgever E.J. Brill te Leiden met als titel ‘Le nombre plastique’. De Nederlandse uitgave volgde in 1967 bij dezelfde uitgever: ‘Het plastische getal’. Deze titel verwijst rechtstreeks naar het boek ‘Le nombre musical …’ door de monnik van Solesmes, Dom Mocquereau. Hierover zegt architect Sam van Embden, vriend en studiegenoot van pater Hans, in een artikel in 1991:

 

Wat mij uit onze vroegste gesprekken allereerst voor de geest komt, zijn de uiteenzettingen over het ritme aan de hand van ‘Le nombre musical’. In zijn inleiding tot dat boek stelt Dom Mocquereau zelf: ‘Il n’existe qu’une seule rythmique générale dont les lois fondamentales, établies sur la nature humaine, se retrouvent nécessairement dans toutes les créations artistiques, musicales et littéraires, de tous peuples, dans tous les temps.’ (‘Er bestaat slechts één algemeen ritme, waarvan de fundamentele wetten die in de menselijke natuur verankerd zijn, zich noodzakelijkerwijs bevinden in alle artistieke, muzikale en literaire scheppingen van alle volken in alle tijden’).

 

Hieruit blijkt de verregaande invloed van de hervormingsbeweging van Solesmes, zoals die in de benedictijnse, Oosterhoutse traditie tot uiting kwam, op de ontwikkeling en de ideeën van pater Hans. In de praktijk van het bouwen speelde het bureau van Nico, met zijn compagnons Wim Hansen en Harry van Hal een voortrekkersrol bij het uitdragen van het gezamenlijke gedachtegoed. De voornaamste kerken die in die periode tot stand kwamen zijn: de Sint-Catharinakerk te Heusden (1950), de Sint-Martinuskerk te Gennep (1953), de Johannes Geboortekerk te Nieuwkuijk (1955), de Heilige Geestkerk te Vlaardingen (1959) en de Pauluskerk te Dongen (1965) . De invloed van pater Hans was groot in die periode. Veel architecten vroegen hem om advies, niet alleen vanwege zijn kerkelijke en liturgische expertise, maar vooral om zijn architectonische inzichten, ook met betrekking tot profane gebouwen. Toch riepen zijn invloed en vooral de gerealiseerde kerkgebouwen ook veel weerstand op. Zijn Oosterhoutse jaren en het werk van zijn broer Nico stonden nog te zeer in het teken van Solesmes en de vroegchristelijke bouwkunst. Beide broers waren, overtuigd van hun intenties op zoek naar de grondslagen van de architectuur, in het voetspoor van Vitruvius. Omdat het concept van de basilicale bouwvorm bij uitstek tegemoetkwam aan de door hen nagestreefde ideale ordonnantie en dispositie lag het voor de hand dat ze aanvankelijk zeer gesterkt werden in de door Dom Guéranger begonnen, negentiende-eeuwse benedictijnse hervormingsbeweging. Echter de kritiek op deze in wezen archaïserende manier van denken en bouwen nam in de jaren vijftig sterk toe. Op een studiebijeenkomst van de cursus in juni 1955 bleek overduidelijk dat een koerswijziging onvermijdelijk was. 

De crypte van Sint-Benedictusberg 

In 1951 was de abdij Sint-Benedictusberg te Vaals opnieuw gesticht door een groep monniken van de Sint-Paulusabdij van Oosterhout en van hen kreeg pater van der Laan in 1956 het verzoek om het ontwerp te maken voor de daar nog altijd ontbrekende crypte en kerk. Hij beschreef die gebeurtenis zelf aldus:

 

Het was zaterdag 6 juli 1956 ’s-avonds om half tien dat Dom Truijen, prior van SintBenedictusberg, mij de opdracht gaf de abdij af te bouwen. Hij was samen met het hele convent naar Oosterhout gekomen om de kerkwijding mee te maken. Toen in de namiddag allen weer naar huis gingen, was hij in Oosterhout achtergebleven om mij te helpen bij het opruimen van de sacristie, hij was namelijk vroeger mijn tweede koster geweest. Wij zaten die mooie zomeravond op de stoep van de kerk wat uit te rusten van al het werk, toen hij mij plotseling zei: ‘U hebt hier de kerk niet mogen bouwen, u mag het bij mij komen doen’. Het was duidelijk dat hij er om deze reden zo op had gestaan om mij bij het opruimen te helpen.’

 

De kerk met bijgebouwen moest het bestaande abdijgebouw completeren dat naar ontwerp van de Duitse architecten Dominicus Böhm en Martin Weber in 1923 tot stand was gekomen. In 1956 bevond de nieuwe communiteit van Sint-Benedictusberg zich nog in haar eerste stichtingsfase. Ze was met veel élan van start gegaan en ondervond grote steun van de Limburgse bevolking. De gemeenschap was vooralsnog gehuisvest in een verwaarloosd en onvoltooid gebouw, dat wel in een prachtig landschap was gelegen en ruim van opzet was gebouwd. Maar de monniken misten er vooral het centrum van hun abdij, de kerk, het meest noodzakelijke gebouw voor een religieuze gemeenschap. In de communiteit bevonden zich behalve prior Vincent Truijen (1916-2006) nogal wat voorstanders van de ideeën van pater van der Laan. Desondanks was het een daad van uitzonderlijk vertrouwen, om hem de opdracht te geven de crypte en de kerk te realiseren. Hier was gelukkig geen sprake van een binding met het werk van Dom Bellot, zoals in Oosterhout en evenmin waren de nieuwe bewoners van de abdij bijzonder gehecht aan het oorspronkelijke gebouw van Böhm en Weber. Jaren later, in 1965 hield pater van der Laan enige conferenties voor het noviciaat van de abdij waarin hij verslag deed van de omstandigheden in 1956. Hij vertelde dat de uitnodiging die hij toen van prior Truijen kreeg inhield, dat de eigenlijke kerk boven de crypte pas over vijftien jaar gebouwd zou worden. Daardoor werd hij verplicht iets te maken dat door mensen aanvaard zou moeten worden die hij nog niet kende. Tot dan toe was hij steeds uitgegaan van bepaalde concrete vormen die op een beperkte algemeenheid berustten, typische vormen. Hij had dat gedaan voor gewaden, meubels, vaatwerk en gebouwen en het was met een zekere huiver dat hij die dingen los moest laten, om alleen te vertrouwen op zuivere algemeenheden. Hij vervolgde aldus:

 

Het ontwerp van deze kerk hier werd daarvoor het signaal, want noodgedwongen moest ik iets maken in het luchtledige van de toekomst. U kunt het bijvoorbeeld zien aan de (toenmalige) meubels van de refter en die van de crypte. Precies dezelfde verhoudingen zijn toegepast, maar de ene keer hechtte ik mij nog aan bestaande tafels, in casu aan de gastentafel, terwijl ik de andere keer in de crypte uitging van planken en ik mij baseerde op een algemeen uitgangspunt. Zo ook voor de kelken enzovoort. In 1956 was het dus tijd om de sprong te wagen: na het bezoek aan Rome in 1955, na het afstuderen van Jan de Jong, na het beëindigen van de studie van het plastische getal in 1956.’

 © Frans de la Cousine

Gewijzigde inzichten

Tussen 1958 en 1960 kon pater Hans, samen met Nico deze werkwijze beproeven bij de vernieuwing van de trappistenabdij in Zundert, waar abt Emmanuel Schuurmans zijn opvattingen deelde en ook daadwerkelijk in praktijk wilde brengen. De groeiende mentaliteitsverandering in die dagen voor het Tweede Vaticaans Concilie trad toen in de Nederlandse kloostergemeenschappen het meest in Zundert aan het licht. Pater Hans ontwierp in de binnenhof van de Zundertse abdij toen voor het eerst een galerij, waarbij de lateien niet op ronde kolommen met kapitelen rustte, maar direct op rechthoekige pijlers. Na de bouw van deze galerij bezocht hij samen met Jan de Jong de abdij. Mede dankzij zijn positieve reacties voelde hij zich gesterkt in zijn ontwerpkeuze om ook voor de crypte van Sint-Benedictusberg zulke rechthoekige pijlers toe te passen.

De crypte in Vaals bestaat uit een langwerpige ruimte die door twee pijlerstellingen wordt ingedeeld, met aan de beide zijkanten een aantal cella’s die als kapellen dienstdoen. De voor- en achterzijden worden afgesloten door vlakke wanden. Het altaar, gewijd aan Sint Benedictus, staat centraal in de ruimte. De zijkapellen dienden indertijd voor de stille missen die in 1961 nog door iedere priester afzonderlijk ’s-ochtends gelezen werden. De wand achter het hoofdaltaar zou de namen gaan dragen van hen die met hun geldelijke steun de bouw mogelijk hadden gemaakt en die achter die wand begraven zouden worden.

Op 1 maart 1962 vond de consecratie van het altaar plaats door bisschop Petrus Moors. Een dag later hield pater van der Laan een lezing waarover cantor pater Nico Boer na afloop het volgende schreef:

 

’s-Avonds gaf hij een meesterlijke en voor een kind bevattelijke conferentie over de stijl van onze kerk, als monnik, als koster en als architect. Ons leven is eenvoudig: onze zang is eenvoudig, vooral de psalmodie, die met haar enkele intervallen volmaakt schoon kan zijn; onze ceremoniën zijn eenvoudig: op een dubbele rij naar binnenlopen en processie houden, in twee rijen tegenover elkaar staan; onze kleding is eenvoudig, zoals we ook onze misgewaden tot hun wezenlijke vorm hebben gereduceerd: zoiets moet ook mogelijk zijn met een kerk, eenvoudig door de harmonische plaatsing van de juist geproportioneerde, uiterst eenvoudige delen, wat de ouden symmetrie en eurythmie noemden. De perspectieftekening van de crypte gaf iets onnozels en onbenulligs te zien; de opdrachtgever zowel als de architect stelden een daad van vertrouwen in de wetenschap der intervallen en deze hebben zich niet verloochend; het ruimtelijk resultaat is klaar, harmonisch, weldadig en daarenboven gewijd en heilig.

De architectuurtheorie was inmiddels, mede door de Cursus Kerkelijke Architectuur zover ontwikkeld dat pater van der Laan in staat was gebleken om een gebouw te realiseren zonder de invloed van welke stijlvorming dan ook. Maar hij was zich er ook van bewust dat zijn theorie nog niet volledig was, omdat de invloed van de dispositie – het ontwerp – nog grotendeels ontbrak. Bij de bouw van de crypte had vooral de ordonnantie – de maatbepaling – centraal gestaan. Van 1960 tot 1963 gaf hij in het Kruithuis een nieuwe serie van vijftien lessen over de ‘architectonische dispositie’. Deze studie zou de aanzet

vormen voor zijn boek ‘De architectonische ruimte’ dat uiteindelijk pas in 1977 uitgegeven zou worden. Toen de crypte was gebouwd, ging hij verder met het ontwerpen van meubels, waarbij hij consequent uitging van dezelfde vormgevende standpunten als bij de bouw. Naar zijn eigen woorden:

 

Meubels kunnen door hun geledingen de onderlinge verhoudingen van het huis voortzetten. Daarmee kunnen ze de huiselijke symfonie van ruimtes en vormen voltooien tot het volledige antwoord dat wij mensen verschuldigd zijn aan de grote harmonie van de ons omringende natuur. Als de meubels op deze wijze worden vormgegeven en ze harmoniëren met de ruimtes waarin ze staan, zijn verdere versiersels overbodig. Ze versieren zelf de kamer waarin het dan goed is om te zijn.’

 

De crypte was het eerste door hem ontworpen gebouw, waarvan de architectuur en de inrichting zo’n eenheid vormden. In 1973 waren de ontwerpen voor een volledige serie meubels gereed. In de abdij Sint-Benedictusberg werden stap voor stap bijna alle ruimtes, ook die van het reeds bestaande gebouw voorzien van zulke meubels, waardoor in het gehele huis een grote eenheid ontstond.

De abdijkerk in Vaals

Eind 1964 werd dom Nicolaas de Wolf (1931-2015), monnik van de Sint-Paulusabdij, gekozen tot abt van Sint-Benedictusberg. In 1966 werd op het plein vóór de crypte, als sluitstuk van de eerste bouwfase het kruismonument gebouwd, een hardstenen zuil met een kruis erboven. In het oorspronkelijke plan voor de nieuwe kerk was dit kruis niet voorzien. Het was een tegemoetkoming aan het bezwaar dat het ‘Limburgs Welstandstoezicht’ had gemaakt tegen de hoge, grotendeels blinde gevel van de kerk. Het kruis moest dienen als een zichtbaar teken voor de achtergelegen kerk. Bij de inzegening ervan zei pater Hans voor de ‘Vrienden van de abdij’ er zelf over:

 

Wanneer u aankomt, rijdt u tussen de bomen door het ruime voorplein op. Terzijde hebt u dan de bosranden en vóór u de lange zijgevel van de kerk. Door het naar voren steken van het portiersgebouwtje aan de ene kant en door de schuin geplaatste slotmuur aan de andere kant, maar vooral door het kruis dat in het midden van de gevel staat, wordt dat hoofdeinde van het voorplein ook tot een soort galerij die aansluit op de omlijsting door de bosranden.’

 

Op 4 mei 1968 vond de consecratie van de abdijkerk door bisschop Moors plaats. Pater van der Laan zei over het basisconcept van zijn ontwerp onder meer het volgende:

Pater Bellot bouwde de kerken van Oosterhout en Quarr als een opeenvolging van drie ruimtes: een ruimte voor de gelovigen, een voor het monnikenkoor en een voor de ceremonies rond het altaar. Dat laatste gedeelte, waar de beide andere naar toe wezen, noemde men sanctuarium; het overtrof de beide andere in hoogte, licht en versiering. Zijn kerken waren dus lang en smal. Toen ik in het klooster kwam, verzette ik mij al spoedig tegen zo’n dispositie, waardoor de liturgie eerder een kijkspel werd dan een gezamenlijk gebeuren. Ik meende dus, dat het altaar in het monnikenkoor tussen de koorbanken in moest staan. Vooral toen ik eenmaal koster was, droomde ik van zo’n dispositie zoals die nu door Vaticanum II bevestigd is. De beide ontwerpen die ik na de oorlog voor de kerk van Oosterhout maakte, werden vooral om deze reden afgekeurd. Bovendien meende men, dat zo’n breed koor ongeschikt was voor een goede wisselzang tussen de monniken. De kerk die in Oosterhout in 1956 is geconsacreerd, handhaaft dan ook nog steeds de formule van Dom Bellot. Voor mij zou de ruimte van het koor met het altaar ongeveer vierkant moeten zijn met een smalle strook erachter voor de ceremonies, omdat er met het gezicht naar de gelovigen gecelebreerd zou moeten worden. Het gedeelte voor de gelovigen dat eraan vooraf moest gaan, zou eveneens niet langer dan breed moeten zijn, omdat bij een langere ruimte de betrokkenheid van de gelovigen bij de viering van de liturgie niet tot zijn recht zou komen. Ik had dus tot een totale ruimte met een oppervlak van 3 : 7 moeten komen, maar ik ben niet verder gekomen dan de afgeleide vorm van 3 : 7, n.l. 2 : 51/3 ofwel 3 : 8, waardoor de kerk drie traveeën telt in de breedte en acht in de lengte met een raamstelling van veertien ramen in de lengte en vijf in de breedte. De kerk van Vaals is dus ontworpen als zo’n lange zaal, voorafgegaan door een atrium, begeleid door twee galerijen en beëindigd door een dwarsgalerij. Het atrium zelf is aan vier zijden door een galerij omgeven.

Boven de pijlerstellingen van de drie galerijen en de dichte achterwand van de zaal zijn rondom ramen aangebracht, eveneens in de vorm van pijlerstellingen, die het vlakke plafond dragen. De galerijen van de zaal, evenals die van het atrium zijn plat afgedekt, de zaal zelf draagt een kap met een zadeldak. Voor de inpassing van de kerk in het geheel van de bestaande abdij van Böhm en Weber was een atrium nodig, maar ik heb die noodzaak dankbaar aanvaard, omdat het de mogelijkheid schiep galerijen en atrium tot een grote dichte onderbouw te maken, waarboven door de open lantaarn van de ramen en het dak de eigenlijke zaalruimte zich zou manifesteren. Maar er was nog een andere reden waarom ik atrium zo graag opnam in het totaalplan van de kerk. Ik was namelijk gefascineerd door de gelijkenis tussen de liturgische opstelling in de kerkruimte en het geheel van haar samenstellende delen. Enerzijds dus het atrium, de beide zijgalerijen en de dwarsgalerij die samen de kerkruimte omlijsten en anderzijds in de kerkruimte zelf het gedeelte voor de gelovigen, de beide koorbanken rechts en links en de ruimte achter het koor, die opnieuw de intiemere ruimte omsluiten waarin het altaar staat. En dan stond mij nog een laatste dispositie voor ogen, die van het altaar zelf, die ik beschouwde als een planum, een platform van één trede hoog als een nieuwe afbakening met daarop het altaar in de vorm van een kernblok. Hier zouden we dan een laatste keer dezelfde dispositie terugvinden, maar dan in omgekeerde richting. Dit werd zo het sluitstuk van de hele compositie.’

Op 18 oktober 1968 verlegde pater van der Laan zijn domicilie van Oosterhout naar Vaals, waar hij in 1970 officieel lid van de communiteit van Sint-Benedictusberg werd. Deze gemeenschap bleef behoren tot de Congregatie van Solesmes en trad niet toe tot de Nederlandse Congregatie van Benedictijnen die in 1969 werd opgericht. Ook in zijn nieuwe tehuis werd hij benoemd tot koster, zodat hij zijn vertrouwde dagelijkse werk kon voortzetten en in 1973 werd hij gekozen tot lid van de Raad, het bestuurscollege onder leiding van de abt.

Bredere belangstelling

Na de consecratie van de abdijkerk hervatte pater Hans zijn lessen in het Kruithuis met een afrondende serie over de architectonische ruimte, waarbij hij ook de dispositie van de stad betrok. Een reis naar Zuid-Italië in 1969 en daarbij vooral de kennismaking met de tempels van Paestum en de Romeinse woonhuizen in Ostia vormde een inspirerende bevestiging, zowel van zijn studieresultaten als van zijn praktijkervaringen bij de bouw van de abdijkerk in Vaals.

Maar ook een kennismaking met een fotoreportage van het megalithische monument Stonehenge in Zuid-Engeland was van grote invloed op de laatste serie lessen en bevestigde voor hem de universele betekenis van zijn in al die jaren verworven inzichten. Een analyse van dat monument en een schaalmodel van de samenstellende delen ervan in hardsteen betekende het sluitstuk en de onderbouwing van zijn gehele architectuurtheorie. De lessen aan de Cursus Kerkelijke Architectuur werden beëindigd in 1973, waarna de theorie systematisch werd beschreven en uiteindelijk in 1977 uitgegeven, weer bij E.J. Brill te Leiden met als titel: ‘De architectonische ruimte’

Een lovend en enthousiast artikel over de geruchtmakende nieuwe abdijkerk door de redacteur Anthony Mertens in de Belgische krant ‘De Standaard’ werd aanleiding voor een bezoek van de Mariazusters van Sint Franciscus uit Waasmunster aan Vaals. Uit dat contact resulteerde direct en spontaan de opdracht aan pater Hans voor de nieuwbouw van een convent, bestemd voor 12 zusters en 25 gasten op een mooi glooiend terrein, omringd door bosschages aan de rand van Waasmunster. De opdracht voor deze ‘Abdij Roosenberg’ kwam voor pater Hans op een ideaal moment in zijn leven, toen hij zowel zijn complete studie als zijn grote werk zojuist had voltooid. De bouw ervan kwam in korte tijd tot stand in de jaren 1974 en 1975 in samenwerking met het bureau van zijn broer Nico en de architecten P. en E. de Vloed uit Melle. Het gerealiseerde gebouw maakt nog steeds een onuitwisbare indruk door de directheid van zijn vormentaal en door de vanzelfsprekende afwezigheid van enig compromis. Enkele jaren later werd hem ook gevraagd om het bestaande moederhuis van dezelfde congregatie in de Kerkstraat, midden tussen de bebouwing van Waasmunster, te renoveren en geschikt te maken voor het meer contemplatieve leven dat de zusters wilden gaan leiden.

Het resultaat was een geheel nieuw gebouwencomplex met drie hoven, waarbij de bestaande kerk in neobarokstijl werd gespaard en samen met de nieuwbouw een aangepaste situering kreeg. In het najaar van 1978 kreeg pater Hans van architectuurdocent Jos Naalden, die hij al in Oosterhout had leren kennen de vraag om voor hem een nieuw woonhuis te ontwerpen in Best, op een terrein, bestemd voor een dubbele woning. Het leverde het prototypisch concept op van een klassiek hofhuis, geheel gebaseerd op de stedenbouwkundige modellen in ‘De dispositie van de stad’, hoofdstuk XIII van zijn pas verschenen boek.

In 1982 kwam dit woonhuis gereed, compleet ingericht met het meubilair, zoals dat al voor Vaals en Waasmunster ontworpen was.

Publieke bekendheid

In 1979 vroegen Jos Naalden en William Graatsma, beiden verbonden aan de afdeling bouwkunde van de Technische Universiteit Eindhoven en J. Szénassy, directeur van het Bonnefantenmuseum in Maastricht aan pater Hans om de theorie van ‘De architectonische ruimte’ door middel van modellen en korte verklarende teksten aanschouwelijk voor te stellen voor een groter publiek. De 45 modellen en 12 meubels die hij hiervoor ontwikkelde, werden onder de titel ‘Architectuur, modellen en meubels’ met een uitvoerige catalogus vanaf 1982 tentoongesteld in Maastricht, Eindhoven, ’s-Hertogenbosch, Nijmegen en Gent. Ter gelegenheid van de tentoonstelling in Eindhoven werd ook het boekje uitgegeven ‘Letters in steen gehouwen’ met richtlijnen voor een alfabet van klassieke hakletters dat al geruime tijd model stond voor de vele inscripties in Vaals, Waasmunster en de nieuwe kerken van de Bossche School. Ondertussen bleef pater van der Laan werken aan het monastieke kader van de abdij Sint- Benedictusberg, dat daarmee stap voor stap zijn volledige samenhang kreeg. Doordat in 1965 de exploitatie van de grindgroeve achter de abdij ten einde kwam, werd het mogelijk om daar een passende kloostertuin aan te leggen. Deze kwam tot stand in samenwerking met de landschapsarchitecten Pieter Buijs en Bob van der Vliet in ‘s-Hertogenbosch. Daarmee kreeg het hele abdijcomplex zijn eigen bijpassende omkadering te midden van het omringende Limburgse landschap.

De bestaande binnenhof werd in 1980 gerenoveerd en heringericht, zodat de hele abdij samen met de reeds voltooide ingrepen van 1956 en 1968 een gaaf en overtuigend totaalbeeld op ging leveren. Pater Hans zei zelf hierover:

 

Nu wij in het huis overal het glas in lood hebben weggehaald, dat het uitzicht op de binnenhof belemmerde, is het huis tegelijk wat schilderachtiger geworden, want die binnenhof is vrij romantisch van architectuur. Als een klein tegenwicht heb ik er de kleine galerij in gebouwd die aan de strengheid van de kerk doet denken, maar nu komt de tegenstelling met de blanke kerk heel goed uit.’

 

In 1985 tenslotte kon het plan van 1956 worden gecompleteerd met de voltooiing van de tweede kloosterhof, door de bouw van de bibliotheekvleugel en de open galerij aan de tuinzijde. Hierover zei pater Hans in 1987:

Maar nu wilde ik ook de hele wereld van mijn architectuur in een dieper perspectief opnemen. Ik heb mij voor de studie altijd op de waarneming van de natuur gebaseerd, op een heel primitieve manier Het ging er om binnenruimtes te laten ontstaan te midden van de ruimte van de natuur die zich vrij verheft boven het massief van de aarde en nu nemen wij iets van dat massief af, zeg maar om klei te bakken om muren te maken en om daarmee stukjes binnenruimte van de ruimte van de natuur weg te nemen. Zo zijn wij dus onze theorie begonnen. Maar vooral na de tentoonstelling van 1982 merkte ik dat er nog iets over was om te bestuderen. Nadat ik dat primitieve uitgangspunt had ontwikkeld tot aan de theorie van het ‘plastische getal’, de architectonische tegenhanger van het ‘nombre musical’ van Dom Mocquereau, kon ik daarvan uitgaande de hele vormgeving van het huis ontwikkelen en zelfs van de stad, zoals hij met zijn ‘rythme élémentaire’ en zijn ‘grand rythme’ het hele gregoriaanse repertoire opnieuw kon bezielen. Maar nu blijkt, dat als het huis eenmaal klaar is, nadat het met zijn binnenruimte van de natuurlijke ruimte is afgenomen, het weer als uitwendig gebouw aan die natuurlijke ruimte moet worden teruggegeven. Nu heb ik dat instinctief altijd wel een beetje gedaan met onze kerk en de kloosters in België, maar ik heb er nooit de regels van gekend. Dit doordringen in het fenomeen is pas in 1983 begonnen toen ik de laatste uitbreiding in Vaals moest ontwerpen. In de nieuwe bibliotheekvleugel met de kerk, daar kun je iets zien van hetgeen ik nu speciaal beoog: het samengaan van gebouwen in diverse richtingen in de natuur. Zoals ik voor de maatverhoudingen stokjes maakte en voor de diverse vormen blokjes van hout, zo heb ik ook nu weer een serie vormen gemaakt van natuursteen om die samenplaatsing van gebouwen te bestuderen en te illustreren.’

In hetzelfde jaar 1985 verscheen van zijn hand bij E.J. Brill ‘Het vormenspel der liturgie’, waarin hij verantwoording aflegde over zijn ideeën als monnik en architect en over het grote liturgische kader waarin al zijn werk zich had afgespeeld. Dat boek was niet alleen een samenvatting van zijn eigen opvattingen, maar betekende ook een steunbetuiging aan de benedictijnse hervormingsbeweging van Solesmes, waarvan hij in heel zijn leven en werk diep doordrongen was geweest.

In maart 1986 kwam het verzoek van de zusters Benedictinessen in Tomelilla in Zuid Zweden om ook voor hen een nieuw klooster te ontwerpen.

Pater Hans heeft nog het hele ontwerp voor dat klooster kunnen afronden, maar het bouwplan is uiteindelijk geredigeerd door zijn neef Rik van der Laan, in samenwerking met Rudi de Bruin, een in Zweden werkende, Nederlandse architect. In 1995 is het eerste gedeelte, bestaande uit de grote pandhof met de kerk gerealiseerd. Echter, vooralsnog hebben de zusters afgezien van completering van het totaalplan met de tweede hof voor de gasten. Pater Hans beschouwde naar zijn eigen zeggen dit klooster Mariavall, het laatste specimen van zijn levenswerk als zijn meest complete ontwerp.

Op 20 september 1986 stierf zijn broer Nico, die als architect altijd met hem had samengewerkt en nu zijn laatste rustplaats vond in de crypte van de abdijkerk.

In 1989 was de bouw van de tweede kloosterhof in Vaals aanleiding voor de Ailbertusstichting te Maastricht om pater van der Laan voor dat werk de driejaarlijkse Architectuurprijs Limburg toe te kennen. Bij die gelegenheid werden door diezelfde stichting ook zijn laatste inzichten over architectuur gepubliceerd: ‘Een architectuur op basis van het ruimtelijke gegeven van de natuur’.

In 1993 werd de Engelse versie ervan opgenomen in de encyclopedie ‘Companion to Contemporary Architectural Thought’ onder de titel ‘Instruments of Order’.

Op 19 augustus 1991 stierf hij in zijn abdij Sint-Benedictusberg, waar hij begraven werd op het kerkhof in de tuin. William Graatsma schreef later over hem:

 

Bij zijn laatste tocht op die gedenkwaardige donderdag in augustus is mij meer dan ooit duidelijk geworden dat alles wat van der Laan ‘aanraakte’ een ware gedaanteverandering onderging, dat hij altijd en overal op zoek was naar het wezen en de oorsprong van de dingen, naar, zoals hij het zelf formuleerde ‘de natuurlijke fenomenen’. Zelden zal dan ook de laatste tocht van een mens op aarde zo indringend in het teken van de overledene gestaan hebben als bij de uitvaart van Dom Hans van der Laan: de kerk en het kerkhof, de tuin met haar glooiingen, de kovel en de kist, de grafsteen en de letters van het inschrift. Het hele kader waarin het vormenspel der liturgie zich voltrok, droeg het stempel van Dom Hans van der Laan, aarts-maker, ‘architecton’.

Loading content…